EN

Aansprakelijkheid en letsel door oorlog

Oorlog leidt bijna altijd tot groot menselijk leed. Mensen raken gewond, overlijden of worden vermist. Families verliezen hun woning, bedrijven worden verwoest en hele gemeenschappen slaan op de vlucht. Daarnaast laat oorlog vaak diepe psychische sporen na, bijvoorbeeld door bombardementen, gevangenschap, seksueel geweld, verlies van naasten of langdurige onzekerheid. Ook de economische gevolgen kunnen jarenlang doorwerken, van vernielde infrastructuur tot verloren inkomsten, onteigend bezit en ontwrichte zorg, handel en onderwijs. Juridisch is schade door oorlog complex om af te handelen. Bij oorlog is niet alleen de directe veroorzaker van één incident relevant. Er is een staat die al dan niet gerechtvaardigd geweld gebruikt tegen een andere staat – oorlog is niet per definitie illegaal –, er zijn commandanten die bevelen geven en soldaten die uitvoeren, er zijn militairen die misdrijven plegen en bevelen niet nakomen, er zijn gewapende groepen die het heft in eigen handen nemen en het is niet altijd mogelijk om concrete oorzaken van schade aan te wijzen. Op deze pagina beantwoorden we daarom drie hoofdvragen:

  1. Welke regels gelden tijdens oorlog?

  2. Wie kan aansprakelijk of strafrechtelijk verantwoordelijk zijn?

  3. Wanneer kan een slachtoffer schadevergoeding krijgen of een verzekering aanspreken?

    Op deze pagina over aansprakelijkheid en letsel door oorlog:

    Twee soldaten in camouflagekleding en met helmen lopen door de rook. Ze dragen allebei geweren, in een stoffige buitenomgeving.

    Waarom is letsel door oorlog juridisch anders?

    Letsel door oorlog is juridisch anders dan letsel door een gewoon ongeval. Bij een verkeersongeval is meestal relatief duidelijk wie betrokken was en aansprakelijk is. Bij een arbeidsongeval wordt gekeken naar de werkgever, de zorgplicht, de werkplek en de schade van de werknemer. Bij medische aansprakelijkheid staat de vraag centraal of een arts of ziekenhuis volgens de professionele standaard heeft gehandeld. Bij oorlogsschade is het niet zo eenvoudig.

    Bij oorlog kan de schade zijn veroorzaakt door een militair, commandant, staat, gewapende groep, huurling, droneaanval, artilleriebeschieting of onbekende eenheid. De directe dader is soms niet te identificeren. Het bewijs kan verdwijnen door bombardementen, in massagraven, te midden van vluchtelingenstromen of door het wegvallen van overheidsadministratie. Grenzen kunnen verschuiven, rechtbanken kunnen niet langer functioneren en slachtoffers bevinden zich vaak in een ander land dan de verantwoordelijke partij. Daarbovenop speelt ook de staatsimmuniteit. Dat betekent dat een staat in beginsel niet zomaar voor de rechter van een andere staat kan worden gedaagd. Die regel beschermt de soevereine gelijkheid van staten. Een gewone civiele procedure tegen een buitenlandse staat is dus niet altijd mogelijk.

    Een bekend voorbeeld is de zaak Duitsland tegen Italië bij het Internationaal Gerechtshof. Italiaanse slachtoffers en nabestaanden probeerden Duitsland voor Italiaanse rechters aansprakelijk te stellen voor nazi-misdrijven tijdens de Tweede Wereldoorlog. De feiten waren buitengewoon ernstig: het ging onder meer om deportaties, dwangarbeid en bloedbaden. Toch oordeelde het Internationaal Gerechtshof dat Italië de staatsimmuniteit van Duitsland had geschonden door civiele schadeclaims tegen Duitsland toe te laten. Zelfs wanneer het onderliggende geweld zeer ernstig is, kan de route naar schadevergoeding worden geblokkeerd door internationaalrechtelijke regels over staatsimmuniteit.

    Dit alles wil echter niet zeggen dat het onmogelijk is om een schadevergoeding te verkrijgen. In de praktijk moet vooral rekening worden gehouden met de verschillende rechtsgebieden die door elkaar lopen. Dat zijn:

    • Internationaal recht tussen staten: dit gaat over de vraag of een staat geweld mocht gebruiken, of een andere staat aansprakelijk kan zijn en of herstelbetalingen tussen staten moeten worden afgesproken.

    • Internationaal humanitair recht tijdens gewapende conflicten: dit zijn de regels die bepalen hoe oorlog mag worden gevoerd. Denk aan bescherming van burgers, gewonden, krijgsgevangenen, ziekenhuizen en burgerobjecten.

    • Internationaal strafrecht tegen individuele daders: dit richt zich niet op de staat als geheel, maar op personen. Een soldaat, commandant, minister of staatshoofd kan strafrechtelijk verantwoordelijk zijn voor oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, genocide of agressie.

    • Nationaal strafrecht en civiel recht: sommige zaken worden behandeld door nationale rechtbanken. Dat kan gaan om vervolging van verdachten die zich in een bepaald land bevinden, maar ook om civiele schadeclaims. Daarbij kunnen obstakels spelen, zoals bewijsproblemen, verjaring, immuniteit of gebrek aan verhaalsmogelijkheden.

    • Verzekeringsrecht: veel gewone verzekeringen sluiten oorlog, gewapend conflict of molest uit. Daardoor kan een slachtoffer met schade aan woning, auto, bedrijf of reis niet altijd terugvallen op de verzekering die bij gewone schade wél uitkomst zou bieden.

    • Herstelbetalingen via verdragen en fondsen: na een oorlog worden schade en compensatie vaak collectief geregeld. Dat kan via vredesverdragen en internationale fondsen. Slachtoffers krijgen dan niet altijd hun volledige individuele schade vergoed, maar vallen onder een bredere regeling die de schade enigszins zal vergoeden.

    De kern van het verhaal is dus dat aansprakelijkheid bij oorlog wel mogelijk is, maar dat het verkrijgen van een schadevergoeding zelden eenvoudig is. De weg naar een schadevergoeding is vaak langer en politiek gevoeliger dan bij gewone letselschade. Waar bij een verkeersongeval meestal één aansprakelijke partij en één verzekeraar in beeld komen, gaat het bij oorlog vaak om een combinatie van staten, daders, internationale rechtbanken, verzekeringsuitsluitingen en herstelbetalingsmechanismen.

    Oorlogsmisdrijven

    In Nederland is oorlogsmisdrijf de juridische term voor een ernstige schending van het internationaal humanitair recht. Dat zijn de regels die gelden tijdens gewapende conflicten. Deze regels komen verder in dit artikel aan bod. Een oorlogsmisdrijf is dus niet zomaar elk misdrijf dat tijdens een oorlog wordt gepleegd. Er moet voldoende verband bestaan met een gewapend conflict en het moet gaan om een ernstige schending van regels die personen, goederen of bepaalde beschermde belangen tijdens oorlog moeten beschermen.

    Niet elke fout, vergissing of elk burgerslachtoffer is automatisch een oorlogsmisdrijf. Een aanval op een militair doel kan bijvoorbeeld burgerslachtoffers veroorzaken zonder dat de aanval daardoor meteen verboden is. Dat kan anders zijn als geen onderscheid wordt gemaakt tussen burgers en strijders, als bewust burgerdoelen worden aangevallen of als het verwachte verlies aan burgerlevens duidelijk buitensporig is in verhouding tot het concrete en directe militaire voordeel. In bijvoorbeeld het conflict in Gaza is het hoogst twijfelachtig of het verlies aan burgerlevens nog proportioneel is, waardoor experts spreken van Israëlische oorlogsmisdrijven en zelfs van genocide (zie verder).

    Oorlogsmisdrijven kunnen onder meer bestaan uit het opzettelijk aanvallen op burgers, marteling, gijzeling, verkrachting, plundering, executies zonder eerlijk proces, aanvallen op beschermde medische voorzieningen of het inzetten van verboden wapens. Onderzoekers kijken niet alleen naar de schade achteraf, maar ook naar wat de betrokken militairen, commandanten of politieke leiders wisten, welke bevelen zijn gegeven, welke informatie beschikbaar was, welk doel werd aangevallen en welke voorzorgsmaatregelen zijn genomen. Oorlogsmisdrijven moeten worden onderscheiden van misdrijven tegen de menselijkheid en genocide. Die begrippen overlappen soms in de feiten, maar juridisch gelden andere voorwaarden.

    BegripBetekenisVereiste contextVoorbeelden
    OorlogsmisdrijfErnstige schending van het internationaal humanitair recht die individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid kan opleveren.Er moet een verband zijn met een internationaal of niet-internationaal gewapend conflict.Opzettelijke aanval op burgers, marteling van krijgsgevangenen, plundering, verkrachting, gijzeling, executie zonder eerlijk proces, aanval op beschermde medische voorzieningen of gebruik van verboden wapens.
    Misdrijf tegen de menselijkheidErnstige misdrijven als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval tegen een burgerbevolking.Een gewapend conflict is niet vereist. Wel moet sprake zijn van een bredere aanval op burgers en kennis daarvan bij de dader.Moord, uitroeiing, slavernij, deportatie, gevangenneming, marteling, verkrachting, vervolging of gedwongen verdwijning binnen een bredere aanval op burgers.
    GenocideHandelingen met het specifieke doel om een nationale, etnische, raciale of godsdienstige groep geheel of gedeeltelijk te vernietigen.Een gewapend conflict is niet vereist. Beslissend is het bijzondere vernietigingsopzet tegenover een beschermde groep.Doden van groepsleden, zwaar lichamelijk of geestelijk letsel toebrengen, levensomstandigheden opleggen die op vernietiging zijn gericht, geboorten voorkomen of kinderen onder dwang overbrengen naar een andere groep.

    Wet internationale misdrijven

    In Nederland zijn oorlogsmisdrijven strafbaar gesteld in de Wet internationale misdrijven. Deze wet trad op 1 oktober 2003 in werking en vormt de Nederlandse vertaling van belangrijke onderdelen van het internationaal strafrecht. De wet is tot stand gekomen tegen de achtergrond van het Statuut van Rome, waarmee het Internationaal Strafhof werd opgericht. Het uitgangspunt is dat Nederland zelf ernstige internationale misdrijven moet kunnen opsporen, vervolgen en berechten.

    De Wet internationale misdrijven is belangrijk omdat zij niet alleen gaat over misdrijven die in Nederland zijn gepleegd. Ook feiten in het buitenland kunnen onder omstandigheden voor de Nederlandse rechter komen. Dat is bijvoorbeeld mogelijk als de verdachte zich in Nederland bevindt, als het slachtoffer Nederlander is of als de verdachte de Nederlandse nationaliteit heeft. Daarmee moet worden voorkomen dat Nederland een veilige haven wordt voor plegers van oorlogsmisdrijven, gevallen van genocide of andere internationale misdrijven.

    De voornaamste kenmerken van de Wet internationale misdrijven zijn:

    • Internationale kernmisdrijven: de wet stelt onder meer genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, foltering, oorlogsmisdrijven, gedwongen verdwijning en agressie strafbaar.

    • Oorlogsmisdrijven in verschillende conflicten: de wet maakt onderscheid tussen oorlogsmisdrijven in internationale en niet-internationale gewapende conflicten.

    • Extraterritoriale rechtsmacht: Nederland kan in bepaalde gevallen feiten vervolgen die buiten Nederland zijn gepleegd.

    • Gespecialiseerde opsporing: het Team Internationale Misdrijven van de politie doet samen met het Landelijk Parket onderzoek naar oorlogsmisdrijven en andere internationale misdrijven.

    • Bevoegde rechter: internationale misdrijven komen in beginsel voor de rechtbank Den Haag, met een uitzondering voor bepaalde zaken tegen Nederlandse militairen.

    • Aansprakelijkheid van meerderen: ook commandanten, politieke leiders of andere meerderen kunnen strafrechtelijk aansprakelijk zijn als zij misdrijven door ondergeschikten toelaten of onvoldoende ingrijpen.

    • Aanvulling op het ICC: de Nederlandse rechter en het Internationaal Strafhof vullen elkaar aan. Nationale vervolging op basis van de Wet internationale misdrijven heeft in beginsel voorrang als Nederland daadwerkelijk bereid en in staat is om de zaak te behandelen. Indien Nederland niet in staat is om de zaak te behandelen, kan het ICC de zaak behandelen.

    Internationaal oorlogsrecht

    Internationaal oorlogsrecht wordt ook internationaal humanitair recht genoemd. Het bevat de regels die gelden tijdens gewapende conflicten. Die regels maken oorlog niet “menselijk” en rechtvaardigen oorlog ook niet. Hun doel is beperkter: het menselijk leed tijdens oorlog zoveel mogelijk beperken. Het internationaal oorlogsrecht beschermt vooral personen die niet of niet langer deelnemen aan de strijd. Denk aan burgers, gewonden, zieken, schipbreukelingen, krijgsgevangenen, medisch personeel en hulpverleners. Zij mogen niet zomaar worden aangevallen, mishandeld, vernederd of aan willekeurig geweld worden blootgesteld. Daarnaast beperkt het oorlogsrecht de manier waarop strijdende partijen oorlog mogen voeren. Niet elk wapen, elke tactiek of elke aanval is toegestaan.

    De kern van het oorlogsrecht zit vervat in de Verdragen van Genève van 1949 en de Aanvullende Protocollen van 1977. Die verdragen bevatten belangrijke regels over de bescherming van oorlogsslachtoffers. Daarnaast spelen de Haagse regels een grote rol bij de beperking van middelen en methoden van oorlogvoering, zoals het gebruik van bepaalde wapens of aanvalstechnieken. Ook gewoonterechtelijke regels zijn belangrijk. Dat zijn regels die niet altijd letterlijk in één verdrag staan, maar wel als bindend internationaal recht worden erkend door staten.

    Tot slot sluit het internationaal oorlogsrecht nauw aan bij het internationaal strafrecht. Het Statuut van Rome, waarmee het Internationaal Strafhof is opgericht, bepaalt welke ernstige schendingen als internationale misdrijven kunnen worden vervolgd.

    Het gebouw van de Verenigde Naties in Genève, geflankeerd door rijen internationale vlaggen aan hoge vlaggenmasten, met het bord “United Nations” zichtbaar boven de ingang.

    Ius ad bellum

    Het ius ad bellum gaat over de vraag wanneer een staat militair geweld mag gebruiken. Dat is een andere vraag dan de vraag hoe een oorlog moet worden gevoerd. Het uitgangspunt staat in artikel 2 lid 4 van het VN-Handvest: staten moeten zich in hun internationale betrekkingen onthouden van bedreiging met of gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere staat.

    De hoofdregel is dus een geweldsverbod. Staten mogen niet zomaar een ander land binnenvallen, bombarderen of militair onder druk zetten. Op die hoofdregel bestaan maar beperkte uitzonderingen. De eerste belangrijke uitzondering is zelfverdediging. Artikel 51 van het VN-Handvest erkent het recht op individuele of collectieve zelfverdediging wanneer een lidstaat wordt getroffen door een gewapende aanval. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat een aangevallen staat zichzelf militair verdedigt, of dat andere staten hulp bieden op basis van collectieve zelfverdediging.

    De tweede uitzondering verloopt via de VN-Veiligheidsraad. Op grond van hoofdstuk VII van het VN-Handvest kan de Veiligheidsraad maatregelen nemen wanneer sprake is van een bedreiging van de vrede, een schending van de vrede of een daad van agressie. In uiterste gevallen kan de Veiligheidsraad het gebruik van militair geweld toestaan om de internationale vrede en veiligheid te herstellen of te handhaven. Men krijgt dan een VN-mandaat om een oorlog te starten.

    In de praktijk zien we vooral illegale oorlogen, zoals de agressieoorlog van Rusland tegen Oekraïne of de genocide in Gaza. Een illegale oorlog betekent echter niet automatisch dat elke afzonderlijke militaire handeling ook een oorlogsmisdrijf is. Een aanval op een militair doel kan nog steeds volgens het oorlogsrecht worden beoordeeld. Omgekeerd geldt hetzelfde: een staat die rechtmatig handelt uit zelfverdediging, moet zich nog altijd houden aan het internationaal humanitair recht. Ook een verdedigende partij mag burgers niet opzettelijk aanvallen, krijgsgevangenen niet mishandelen en geen verboden wapens gebruiken. In het conflict tussen Hamas en Israël zien we bijvoorbeeld dat beide partijen het oorlogsrecht schenden.

    Ius in bello

    Het ius in bello gaat over de manier waarop oorlog wordt gevoerd. Waar het ius ad bellum draait om de vraag of een staat geweld mocht gebruiken, gaat het ius in bello over de regels tijdens het gewapende conflict zelf. Die regels gelden voor alle strijdende partijen, ongeacht wie de oorlog is begonnen, wie politiek of moreel “gelijk” heeft en of het gebruik van geweld op zichzelf rechtmatig was. Een staat die slachtoffer is van agressie, mag zich verdedigen, maar moet daarbij nog steeds het internationaal humanitair recht naleven. Ook een aangevallen staat mag burgers niet opzettelijk aanvallen, krijgsgevangenen niet mishandelen en geen verboden wapens gebruiken. Omgekeerd blijft ook een agressor gebonden aan het oorlogsrecht. Het feit dat een oorlog onrechtmatig is begonnen, neemt niet weg dat burgers, gewonden, zieken, krijgsgevangenen, medisch personeel en hulpverleners beschermd blijven.

    Methoden en middelen van oorlogsvoering

    Niet elk wapen en niet elke tactiek is toegestaan tijdens oorlog. Het internationaal humanitair recht vertrekt van het idee dat strijdende partijen wel militaire doelen mogen aanvallen, maar daarbij niet onbeperkt mogen kiezen hoe zij dat doen. Wapens of tactieken die geen onderscheid kunnen maken tussen burgers en strijders zijn problematisch. Hetzelfde geldt voor middelen die onnodig lijden veroorzaken of die door specifieke verdragen zijn verboden, zoals bepaalde chemische wapens, biologische wapens, antipersoneelsmijnen of clustermunitie.

    Ook de manier waarop een aanval wordt uitgevoerd, kan verboden zijn. Denk aan willekeurige bombardementen, aanvallen zonder duidelijk militair doel, het bewust uithongeren van burgers, het gebruiken van burgers als menselijk schild of het zaaien van terreur onder de burgerbevolking. Ook perfidie is verboden. Dat betekent dat een partij misbruik maakt van bescherming onder het oorlogsrecht om de tegenstander te doden, te verwonden of gevangen te nemen, bijvoorbeeld door zich valselijk voor te doen als medisch personeel of door misbruik te maken van een beschermend embleem.

    Bescherming van gewonden, zieken en schipbreukelingen op zee

    Wie niet langer kan vechten omdat hij gewond, ziek of schipbreukeling is, krijgt bescherming onder het internationaal humanitair recht. Dat geldt voor eigen troepen, vijandelijke militairen en burgers. Zodra iemand buiten gevecht is, mag hij niet meer worden aangevallen. Hij moet worden ontzien, beschermd en zo goed mogelijk worden verzorgd. Het uitgangspunt is eenvoudig: iemand die niet meer deelneemt aan de strijd, mag niet worden behandeld als een doelwit. Strijdende partijen moeten, zodra de omstandigheden dat toelaten, zoeken naar gewonden, zieken, drenkelingen, vermisten en doden. Bij schipbreukelingen op zee gaat het bijvoorbeeld om bemanningsleden van een getroffen schip of militairen die in het water terechtkomen. Zij mogen niet worden achtergelaten omdat zij tot de vijand behoren. Ook medische eenheden, ziekenhuizen, geneeskundig personeel, geestelijke verzorgers, ambulances, hospitaalschepen en medische transporten genieten bijzondere bescherming. Zij mogen hun beschermde status echter niet misbruiken voor militaire handelingen.

    Bescherming van krijgsgevangenen

    Krijgsgevangenschap is geen straf. Het is een beschermingsstatus voor strijders die in handen vallen van de vijand. De gedachte daarachter is dat een militair die gevangen is genomen niet langer deelneemt aan de strijd en daarom beschermd moet worden tegen wraak, mishandeling en willekeur. Krijgsgevangenen moeten altijd humaan worden behandeld en met respect voor hun persoon en eer. Marteling, vernedering, medische experimenten, executies, gedwongen bekentenissen en wraakacties zijn verboden. Een krijgsgevangene hoeft in beginsel alleen beperkte identiteitsgegevens te verstrekken, zoals naam, rang, geboortedatum en registratienummer. Hij mag niet worden gedwongen om militaire informatie prijs te geven. Ook mag hij niet worden gebruikt als propagandaobject of als middel om druk uit te oefenen op de tegenpartij.

    De gevangenhoudende staat is verantwoordelijk voor de behandeling van krijgsgevangenen. Die verantwoordelijkheid rust dus niet alleen op de soldaat die iemand gevangenneemt, maar ook op de staat die de gevangene vasthoudt. Krijgsgevangenen hebben recht op onderdak, voeding, medische zorg, hygiëne, contact met familie, godsdienstbeleving en bescherming tegen geweld. Na het einde van de actieve vijandelijkheden moet hun situatie opnieuw worden beoordeeld en kan eventueel worden overgegaan tot repatriëring.

    Bescherming van burgerbevolking en burgerobjecten

    Burgers mogen niet rechtstreeks worden aangevallen en moeten zoveel mogelijk worden beschermd tegen de gevolgen van militaire operaties. Dat geldt ook voor burgerobjecten, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, gebedshuizen, culturele gebouwen, voedselvoorraden, waterinstallaties en energievoorzieningen. Het oorlogsrecht maakt daarom een fundamenteel onderscheid tussen burgerobjecten en militaire doelen.

    Dat betekent niet dat elk object met een civiele functie altijd absoluut beschermd blijft. Een gebouw, brug, energie-installatie of communicatiesysteem kan onder omstandigheden een militair doel worden, bijvoorbeeld wanneer het daadwerkelijk wordt gebruikt voor militaire operaties en de uitschakeling ervan een concreet militair voordeel oplevert. Maar ook dan blijft de bescherming van burgers belangrijk. Een aanval moet proportioneel zijn en er moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen om burgerslachtoffers en schade aan burgerobjecten zoveel mogelijk te beperken.

    Sommige objecten krijgen extra bescherming. Denk aan ziekenhuizen, medische posten, cultureel erfgoed, stuwdammen, dijken en kerncentrales. Ook het uithongeren van de burgerbevolking, het vernietigen van goederen die onmisbaar zijn om te overleven en het terroriseren van burgers zijn verboden.

    Recht inzake de bezetting

    Van bezetting is sprake wanneer een gebied feitelijk onder gezag komt van de krijgsmacht van een vijandelijke staat. De bezettende macht wordt daardoor geen eigenaar of soeverein van het gebied. Zij krijgt een tijdelijke machtspositie en moet die positie gebruiken binnen de grenzen van het bezettingsrecht. Dat recht probeert te voorkomen dat een bezet gebied wordt behandeld alsof het zomaar deel uitmaakt van het grondgebied van de bezetter.

    De bezettende macht moet de openbare orde en het openbare leven zoveel mogelijk waarborgen. Zij moet burgers beschermen, medische zorg en voedselvoorziening ondersteunen en de bestaande instellingen en regels zoveel mogelijk respecteren. Ook moet zij rekening houden met kwetsbare groepen, zieken, kinderen, ouderen en personen die van hulp afhankelijk zijn. Bezetting brengt dus niet alleen macht mee, maar ook zware verplichtingen.

    Tegelijk gelden duidelijke verboden. Gedwongen deportatie, collectieve bestraffing, plundering, willekeurige inbeslagname van privébezit en het dwingen van inwoners om tegen hun eigen land te vechten kunnen in strijd zijn met het bezettingsrecht. Vernieling of inbeslagname van eigendom is alleen in uitzonderlijke gevallen toegestaan, bijvoorbeeld wanneer militaire operaties dat absoluut noodzakelijk maken.

    Recht inzake neutraliteit

    Neutraliteitsrecht gaat over staten die niet deelnemen aan een internationaal gewapend conflict. Een neutrale staat kiest er juridisch voor om geen partij te zijn bij de oorlog. Dat heeft gevolgen voor zowel de oorlogvoerende staten als de neutrale staat zelf. Oorlogvoerende partijen moeten het grondgebied, de territoriale zee en het luchtruim van een neutrale staat respecteren. Zij mogen dat gebied niet gebruiken als uitvalsbasis, doorgangsroute of plaats voor militaire operaties. Een typisch voorbeeld van een land dat zijn neutraliteitsrecht uitoefent, is Zwitserland.

    De neutrale staat moet op zijn beurt voorkomen dat zijn grondgebied wordt gebruikt ten voordele van een van de strijdende partijen. Als troepen van een oorlogvoerende staat neutraal gebied binnengaan, kan de neutrale staat verplicht zijn maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door hen te ontwapenen. Dat betekent niet dat de neutrale staat daardoor zelf partij wordt bij de oorlog; hij handhaaft juist zijn neutraliteit.

    Neutraliteit is in moderne conflicten wel complexer geworden. Staten kunnen bijvoorbeeld neutraal zijn en toch sancties opleggen of wapens leveren. Daardoor is de klassieke scheiding tussen “neutraal” en “oorlogvoerend” soms minder scherp. Opnieuw het voorbeeld van Zwitserland: formeel is het een neutraal land, maar Zwitserland heeft wel de EU-sancties tegen Rusland overgenomen en bevriest Russische tegoeden. Ook het VN-systeem heeft het traditionele neutraliteitsrecht veranderd: staten kunnen verplicht zijn besluiten van de Veiligheidsraad uit te voeren, ongeacht of zij al dan niet neutraal zijn.

    Handhaving en naleving van het internationaal oorlogsrecht

    Internationaal oorlogsrecht heeft alleen betekenis als de regels ook worden nageleefd, onderzocht en zo nodig bestraft. Op papier beschermen de Verdragen van Genève burgers, gewonden, krijgsgevangenen en medische hulpverleners. In de praktijk is die bescherming moeilijk af te dwingen. Tijdens de oorlog is er geen wereldpolitie die onmiddellijk kan ingrijpen, bewijs veiligstelt en verdachten arresteert. Eventueel kan de VN wel een mandaat geven aan een ander land om in te grijpen en bijvoorbeeld burgers te beschermen.

    Er moet ook een onderscheid worden gemaakt tussen het voorkomen van schendingen en het bestraffen ervan. Preventie begint al vóór en tijdens militaire operaties. Staten moeten hun militairen opleiden, regels verspreiden, commandanten juridisch adviseren en duidelijke instructies geven. In moderne krijgsmachten spelen militair-juridische adviseurs daarom een belangrijke rol bij planning, doelwitselectie en uitvoering van operaties. Als schendingen toch plaatsvinden, verschuift de aandacht naar onderzoek, vervolging, sancties, bewijsverzameling en eventueel schadeherstel.

    Belangrijke handhavingsmechanismen zijn:

    • Nationale vervolging door staten: staten moeten ernstige schendingen van het oorlogsrecht strafbaar stellen en verdachten vervolgen. In Nederland gebeurt dat onder meer via de Wet internationale misdrijven.

    • Universele jurisdictie: voor bepaalde internationale misdrijven kan een staat rechtsmacht hebben, ook als het misdrijf in het buitenland is gepleegd. Dat voorkomt dat verdachten zich eenvoudig aan vervolging onttrekken door naar een ander land te reizen. In de praktijk gelden wel voorwaarden, bijvoorbeeld dat de verdachte zich in het vervolgende land bevindt.

    • Internationale rechtbanken en tribunalen: bij ernstige conflicten kunnen internationale of hybride tribunalen worden opgericht. Denk aan de tribunalen voor voormalig Joegoslavië en Rwanda. Zij zijn vooral belangrijk wanneer nationale systemen niet functioneren of onvoldoende onafhankelijk zijn.

    • Het Internationaal Strafhof: het Internationaal Strafhof in Den Haag kan personen vervolgen voor genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en onder voorwaarden agressie. Het hof vervolgt geen staten, maar individuele verdachten.

    • Sancties: staten en internationale organisaties kunnen sancties opleggen aan personen, bedrijven of staten die betrokken zijn bij schendingen. Denk aan reisverboden, bevriezing van tegoeden, handelsbeperkingen of exportverboden. Sancties kunnen de nodige druk zetten.

    • Onderzoekscommissies: internationale organisaties kunnen onderzoekscommissies instellen om feiten vast te stellen. Zulke commissies verzamelen informatie, horen getuigen, analyseren patronen en rapporteren over mogelijke schendingen. Hun bevindingen kunnen later bruikbaar zijn voor strafzaken, sancties of herstelmechanismen.

    • Bewijsdatabanken: bij grootschalige conflicten wordt bewijs steeds vaker centraal bewaard en geanalyseerd. Denk aan foto’s, video’s, satellietbeelden, getuigenverklaringen, medische documenten, forensisch materiaal en gegevens over aanvalspatronen. Dat is belangrijk omdat bewijs in oorlog snel verloren kan gaan.

    • Diplomatieke druk: staten kunnen door middel van diplomatieke contacten druk uitoefenen op partijen bij een conflict.

    • Rapportage door internationale organisaties en ngo’s: de VN, het ICRC, mensenrechtenorganisaties en onderzoeksjournalisten documenteren schendingen. Hun werk kan de basis vormen voor latere procedures, sancties of maatschappelijke druk.

    Handhaving van het oorlogsrecht is vaak traag. Bewijs verzamelen in oorlogssituaties is moeilijk en gevaarlijk. Getuigen vluchten, documenten verdwijnen, lichamen worden verplaatst en digitale informatie kan worden gemanipuleerd. Verdachten bevinden zich bovendien vaak buiten het bereik van de rechter, zeker wanneer zij bescherming genieten van een staat of gewapende groep. Ook werken staten niet altijd mee aan hun uitlevering of arrestatie, of aan de bewijsuitwisseling. Zaken over oorlogsmisdrijven worden soms pas (tientallen) jaren later vervolgd. Ook schadevergoedingen of herstelbetalingen kunnen soms erg lang op zich laten wachten.

    Groeiende rol van Europese organen

    Europa speelt een steeds grotere rol bij de vervolging van internationale misdrijven. Dat komt doordat oorlogsmisdrijven niet alleen worden onderzocht in het land waar zij zijn gepleegd. Slachtoffers en getuigen ontvluchten hun land en komen dan bijvoorbeeld terecht in de Europese Unie. Dit zien we bijvoorbeeld voor Oekraïense vluchtelingen, maar ook voor vluchtelingen uit het Midden-Oosten en Afrika. Wanneer ze hier zijn aangekomen, brengen ze verhalen mee over oorlogsmisdrijven en delen ze nuttige documenten met Europese politiediensten. Het risico hierbij is dat informatie verspreid raakt, omdat verschillende getuigen in verschillende Europese landen aangiftes doen en deze informatie niet wordt gelinkt. Europese coördinatie is met andere woorden wenselijk.

    Eurojust, de EU-organisatie voor justitiële samenwerking in strafzaken, heeft hierin een centrale rol gekregen. Eurojust is gevestigd in Den Haag en ondersteunt nationale openbare ministeries, onderzoeksrechters en justitiële autoriteiten wanneer onderzoeken meerdere landen raken. De organisatie beslist niet zelf wie wordt vervolgd en is geen rechtbank. Eurojust zorgt er vooral voor dat nationale autoriteiten elkaar sneller vinden, informatie kunnen uitwisselen, bevoegdheidsconflicten vermijden en gezamenlijke onderzoeksstrategieën ontwikkelen.

    Die rol is bij internationale misdrijven stap voor stap gegroeid. De Europese contactpunten voor genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven bestaan sinds 2002. Sinds 2011 wordt dit netwerk ondersteund door een secretariaat in Den Haag bij Eurojust. Sinds 2019 behoren kernmisdrijven ook duidelijker tot het werkterrein van Eurojust zelf. Daardoor kan Eurojust nationale autoriteiten ondersteunen bij zaken over genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven.

    De oorlog in Oekraïne heeft de rol van Eurojust verder sterk versneld. Kort na de Russische invasie organiseerde Eurojust op 2 maart 2022 een coördinatievergadering met Oekraïne, Polen en Litouwen. Op 25 maart 2022 werd met steun van Eurojust een gezamenlijk onderzoeksteam opgericht. Zo’n joint investigation team, of JIT, maakt het mogelijk dat aanklagers, rechters en onderzoekers uit verschillende landen binnen één afgesproken kader samenwerken, bewijs uitwisselen en onderzoek op elkaar afstemmen. Later sloten ook Estland, Letland, Slowakije en Roemenië aan.

    Ook de samenwerking met het Internationaal Strafhof is concreter geworden. In april 2022 werd het Office of the Prosecutor van het ICC deelnemer aan het gezamenlijke onderzoeksteam naar internationale misdrijven in Oekraïne. Dat was belangrijk, omdat nationale onderzoeken en het ICC-onderzoek daardoor beter op elkaar konden worden afgestemd. Het ICC blijft een zelfstandige internationale rechtbank, maar kan via deelname aan een JIT nauwer samenwerken met nationale autoriteiten en Eurojust. Eurojust faciliteert daarbij de praktische, juridische, administratieve en operationele samenwerking; het ICC beslist zelfstandig over zijn eigen onderzoek en vervolging.

    In 2022 kreeg Eurojust bovendien een uitgebreidere bevoegdheid om bewijs van kernmisdrijven te bewaren, te analyseren en te delen. Daaruit ontstond de Core International Crimes Evidence Database, afgekort CICED, die in februari 2023 operationeel werd. In die databank kunnen bevoegde nationale autoriteiten bewijs laten bewaren, zoals video’s, foto’s, satellietbeelden, getuigenverklaringen, medische stukken en forensische documenten. Het doel is om patronen te herkennen, dubbele onderzoeken te vermijden en verbanden te zien tussen individuele aanvallen en bredere beleids- of bevelstructuren. Daarnaast is bij Eurojust het International Centre for the Prosecution of the Crime of Aggression against Ukraine ondergebracht. Dit centrum ondersteunt onderzoeken naar het misdrijf agressie tegen Oekraïne en helpt bij het veiligstellen van bewijs en het opbouwen van dossiers.

    De Europese rol blijft vooral ondersteunend en coördinerend. Nationale autoriteiten blijven doorgaans verantwoordelijk voor opsporing, vervolging en berechting. Eurojust brengt hen samen, ondersteunt gezamenlijke onderzoeksteams, helpt bewijs veilig te bewaren en maakt samenwerking met het ICC en andere partners praktisch werkbaar. Juist daardoor kan bewijs dat vandaag wordt verzameld, later bruikbaar zijn in nationale strafzaken, procedures bij het Internationaal Strafhof of toekomstige herstelmechanismen.

    Individuele aansprakelijkheid voor schendingen van het oorlogsrecht

    Bij oorlog wordt vaak eerst gekeken naar staten. Een staat kan verantwoordelijk zijn voor een onrechtmatige aanval, bezetting of schending van internationale verplichtingen. Maar het internationaal oorlogsrecht richt zich niet alleen tot staten. Ook individuele personen kunnen strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor ernstige schendingen van het oorlogsrecht. Dat is een van de belangrijkste ontwikkelingen van het moderne internationaal strafrecht.

    Individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid bij oorlog

    De individuele aansprakelijkheid bij oorlog kan verschillende personen treffen. Een soldaat kan aansprakelijk zijn als hij zelf burgers doodt, gevangenen martelt of plundert. Een commandant kan aansprakelijk zijn als hij een verboden aanval beveelt. Een minister of staatshoofd kan verantwoordelijk zijn wanneer hij internationale misdrijven plant, aanstuurt of faciliteert. Ook personen die niet zelf schieten of martelen, kunnen dus strafrechtelijk in beeld komen. Individuele aansprakelijkheid kan onder meer ontstaan bij:

    • Zelf deelnemen aan een misdrijf: degene die zelf een oorlogsmisdrijf pleegt, kan persoonlijk worden vervolgd. Denk aan het martelen van een gevangene, het opzettelijk doden van een burger of het deelnemen aan plundering.

    • Bevel geven tot een oorlogsmisdrijf: wie opdracht geeft tot een verboden aanval, executie, deportatie, marteling of andere ernstige schending kan aansprakelijk zijn, ook als hij het misdrijf niet eigenhandig uitvoert.

    • Hulp of bijdrage leveren: ook ondersteuning aan een oorlogsmisdrijf kan strafbaar zijn. Denk aan het leveren van middelen, vervoer, locaties, informatie of logistieke steun wanneer daarmee bewust wordt bijgedragen aan internationale misdrijven.

    • Medeplegen of uitlokken: meerdere personen kunnen samen verantwoordelijk zijn. Ook iemand die anderen aanzet tot het plegen van misdrijven of een cruciale rol speelt in de uitvoering, kan strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden.

    • Command responsibility: een militaire commandant of burgerlijke meerdere kan aansprakelijk zijn voor misdrijven van ondergeschikten wanneer hij daadwerkelijk gezag had, wist of redelijkerwijs moest weten wat er gebeurde, en niet de nodige maatregelen nam om misdrijven te voorkomen, te stoppen of te melden.

    • Niet ingrijpen bij bekende misdrijven: passiviteit kan strafrechtelijke gevolgen hebben. Een meerdere die signalen van oorlogsmisdrijven negeert, geen onderzoek laat instellen of geen disciplinaire of strafrechtelijke stappen neemt, kan zelf aansprakelijk worden.

    • Illegale orders verspreiden of faciliteren: ook stafofficieren, adviseurs of andere functionarissen kunnen in beeld komen wanneer zij bewust bijdragen aan verboden orders of nalaten ernstige schendingen door te geven aan bevoegde instanties.

    Het verweer “bevel is bevel” is met andere woorden geen vrijbrief. Militairen werken binnen een bevelsstructuur, maar dat betekent niet dat elk bevel blind mag worden uitgevoerd. Wie een duidelijk onrechtmatig bevel opvolgt, kan zelf strafrechtelijk aansprakelijk zijn. Dat geldt zeker bij bevelen tot marteling, executie van gevangenen, opzettelijke aanvallen op burgers, plundering of seksueel geweld. In zulke situaties kan niemand zich eenvoudig verschuilen achter de hiërarchie. Tegelijk is de beoordeling in de praktijk niet altijd zwart-wit. In militaire operaties kunnen bevelen complex zijn, informatie onvolledig zijn en beslissingen onder grote tijdsdruk worden genomen. Daarom wordt gekeken naar wat de betrokkene wist, had moeten weten, welke positie hij had, hoeveel controle hij daadwerkelijk uitoefende en of hij reële mogelijkheden had om in te grijpen.

    Rol Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag

    Het Internationaal Strafhof, vaak aangeduid als het ICC, is gevestigd in Den Haag. Het hof kan individuele personen vervolgen voor genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en, onder strikte voorwaarden, het misdrijf agressie. Het ICC is geen rechter die staten veroordeelt. Het richt zich op personen die verantwoordelijk worden gehouden voor de ernstigste internationale misdrijven. Het Strafhof is bedoeld als hof van laatste instantie. Dat betekent dat nationale staten in de eerste plaats zelf verantwoordelijk blijven voor opsporing en vervolging. Het ICC komt vooral in beeld wanneer een staat niet bereid is of niet in staat is om serieus onderzoek te doen of verdachten te vervolgen. Dit wordt het complementariteitsbeginsel genoemd. Een nationale strafzaak heeft dus in beginsel voorrang, zolang die zaak echt en onafhankelijk wordt gevoerd.

    De bevoegdheid van het ICC is geregeld in het Statuut van Rome. Het hof kan onder meer bevoegd zijn wanneer het misdrijf is gepleegd op het grondgebied van een staat die partij is bij het Statuut, wanneer de verdachte onderdaan is van zo’n staat, wanneer de VN-Veiligheidsraad een situatie verwijst of wanneer een staat de rechtsmacht van het hof aanvaardt. Voor agressie gelden nog extra voorwaarden, omdat dit misdrijf raakt aan de politieke en militaire leiding van staten.

    Voor slachtoffers is het belangrijk om de rol van het ICC niet te overschatten. Het Strafhof is geen gewone schadevergoedingsrechter voor alle oorlogsslachtoffers. Het vervolgt meestal een beperkt aantal hoofdverdachten en behandelt niet elke afzonderlijke schadeclaim. Slachtoffers kunnen in bepaalde procedures wel deelnemen en er bestaan reparatiemechanismen, onder meer via het Trust Fund for Victims. Toch is dat niet hetzelfde als volledige vergoeding van alle schade van alle slachtoffers. Een andere praktische beperking is dat het ICC geen eigen politiemacht heeft. Het hof is afhankelijk van staten, zowel voor arrestaties als voor de uitlevering, het bewijs, de bescherming van getuigen en de uitvoering van straffen. Het kan een arrestatiebevel uitvaardigen, maar een staat kan beslissen om de verdachte niet aan te houden of uit te leveren. Zo heeft het ICC bijvoorbeeld op 21 november 2024 een arrestatiebevel uitgevaardigd tegen Netanyahu, de premier van Israël. Toen Netanyahu in 2025 Hongarije bezocht – Hongarije is partij bij het Statuut van Rome en dus lid van het Internationaal Strafhof –, besliste dat land om hem niet uit te leveren.

    Veelvoorkomende letsels door oorlog

    Letsel door oorlog kan op veel manieren ontstaan. Soms gaat het om direct letsel door een aanval, explosie of beschieting. In andere gevallen ontstaat schade indirect, bijvoorbeeld door instortende gebouwen, gebrek aan medische zorg, vlucht, gevangenschap, honger of langdurige psychische belasting. Veelvoorkomende vormen van letsel door oorlog zijn:

    • Explosieletsel: schade door bommen, raketten, granaten, mijnen of drones. Dit kan leiden tot botbreuken, brandwonden, amputaties, inwendig letsel, longschade, gehoorschade en hersenletsel.

    • Schot- en scherfverwondingen: letsel door kogels, rondvliegende metalen fragmenten, glas, steen of puin. Zulke verwondingen kunnen spieren, zenuwen, bloedvaten en organen ernstig beschadigen.

    • Brandwonden: letsel door brand, explosies, brandstof, chemische stoffen of verwoeste gebouwen. Ernstige brandwonden kunnen langdurige behandeling, huidtransplantaties en blijvende littekens veroorzaken.

    • Verpletteringsletsel: letsel doordat gebouwen instorten of mensen onder puin terechtkomen. Dit kan leiden tot verbrijzelde ledematen, nierfalen, amputaties en blijvende beperkingen.

    • Gehoorschade en oogletsel: explosies kunnen blijvende tinnitus, gehoorverlies, blindheid of oogbeschadiging veroorzaken, ook wanneer iemand uiterlijk weinig letsel lijkt te hebben.

    • Psychisch letsel: oorlog kan leiden tot PTSS, angststoornissen, depressie, nachtmerries, herbelevingen, schuldgevoelens, paniekklachten en langdurige stress. Ook getuige zijn van geweld kan ernstig traumatiserend zijn.

    • Letsel door seksueel geweld: verkrachting, seksuele uitbuiting en andere vormen van seksueel geweld komen in oorlogssituaties voor en kunnen lichamelijke, psychische en sociale gevolgen hebben.

    • Letsel door gevangenschap of marteling: mishandeling, ondervraging, onthouding van voedsel, slaapdeprivatie, vernedering en slechte detentieomstandigheden kunnen blijvende lichamelijke en psychische schade veroorzaken.

    • Gezondheidsschade door gebrek aan zorg: door verwoeste ziekenhuizen, tekorten aan medicijnen, uitgestelde operaties of onderbroken behandelingen kan bestaande ziekte verergeren of nieuw letsel onbehandeld blijven.

    Verzekeringen en schade door oorlog

    Bij schade door oorlog is het niet zeker of de verzekeraar de schade zal vergoeden. Dat komt doordat oorlog een uitzonderlijk risico is. De schade kan tegelijk enorm, onvoorspelbaar en geconcentreerd zijn. Eén oorlog kan duizenden woningen, voertuigen, bedrijven, transporten en personen tegelijk treffen. Dat maakt het risico voor gewone verzekeraars moeilijk te dragen. Daarom bevatten veel verzekeringsvoorwaarden een uitsluiting voor molest. Met molest worden in verzekeringsvoorwaarden meestal grootschalige gewelddadige situaties bedoeld, zoals gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse onlusten, oproer en muiterij. In de praktijk betekent dit dat schade die rechtstreeks door oorlogshandelingen ontstaat vaak niet onder een normale verzekering valt. Denk aan schade door bombardementen, beschietingen, militaire bezetting, gevechtshandelingen of inbeslagname door strijdende partijen.

    Voor Nederlandse schadeverzekeraars speelt daarnaast een wettelijke beperking. Het uitgangspunt is dat zij schades door bepaalde vormen van groot molest niet mógen verzekeren. Voor sommige verzekeringen bestaan uitzonderingen, bijvoorbeeld in de zee-, transport-, luchtvaart- en reisverzekeringsmarkt. Ook kunnen gespecialiseerde of buitenlandse verzekeraars soms andere oplossingen aanbieden.

    Reisverzekeringen en oorlog

    Een reisverzekering dekt normaal gesproken onverwachte schade tijdens een reis. Denk aan medische kosten, verlies van bagage, diefstal, hulpverlening, repatriëring of extra verblijfskosten. Ook een annuleringsverzekering kan uitkomst bieden wanneer een reis niet kan doorgaan door een verzekerde gebeurtenis. Bij oorlog ligt dat anders. Schade door oorlog, gewapend conflict of binnenlandse onlusten is in reisverzekeringen meestal uitgesloten of slechts zeer beperkt gedekt.

    Een belangrijke rol speelt het reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Bij een rood reisadvies wordt reizen afgeraden omdat het te gevaarlijk is. Wie ondanks zo’n waarschuwing toch vertrekt, loopt een groot risico dat schade niet wordt vergoed. Dat geldt zeker voor schade die verband houdt met de oorlogssituatie, zoals letsel door beschietingen, evacuatieproblemen, verlies van bagage tijdens de vlucht, schade aan voertuigen of kosten door de sluiting van de grenzen en het luchtruim.

    Soms kan er een verschil bestaan tussen iemand die al in een land aanwezig was toen de oorlog uitbrak en iemand die bewust naar een oorlogsgebied afreist. Ook kunnen verzekeraars noodhulp, medische kosten of repatriëring soms anders beoordelen dan annuleringskosten of bagageschade. De precieze dekking hangt hoe dan ook af van de polis, het moment van boeken, het moment van vertrek, het reisadvies en de oorzaak van de schade.

    Woonverzekering en oorlog

    Een woonverzekering bestaat uit een opstalverzekering en een inboedelverzekering. De opstalverzekering dekt schade aan de woning zelf, zoals muren, dak, leidingen en vaste onderdelen. De inboedelverzekering dekt schade aan losse spullen in de woning. Bij gewone schadeoorzaken, zoals brand, storm, lekkage of inbraak, kan zo’n verzekering dekking bieden. Bij oorlogsschade is dat meestal niet het geval. Schade aan een woning door bombardementen, raketten, artilleriebeschietingen, militaire operaties, plundering door strijdende partijen of brand als rechtstreeks gevolg van gevechten valt doorgaans onder de molestuitsluiting. Een gewone woonverzekering is dus niet bedoeld om de financiële gevolgen van oorlog te dragen. Dat geldt ook voor veel gevolgschade, zoals tijdelijke onbewoonbaarheid, verlies van inboedel of opruimingskosten wanneer de schade direct uit oorlogshandelingen voortvloeit.

    Autoverzekering en oorlog

    Een autoverzekering dekt normaal gesproken aansprakelijkheid voor schade die met een motorrijtuig wordt veroorzaakt. De verplichte WA-verzekering beschermt slachtoffers van verkeersongevallen. Wie aanvullend casco of allrisk verzekerd is, kan ook schade aan het eigen voertuig verzekerd hebben. Bij oorlog en gewapend conflict gelden echter belangrijke beperkingen.

    Schade aan een auto door oorlogshandelingen is meestal niet verzekerd. Denk aan schade door beschietingen, explosies, inbeslagname, bombardementen, mijnen of brand als gevolg van gevechten. Ook oorlogsschade aan de lading of persoonlijke spullen in de auto zal in principe buiten de dekking vallen. De oorzaak van de schade is evenwel doorslaggevend. Een normale aanrijding in oorlogstijd zal anders worden beoordeeld dan schade die rechtstreeks door de oorlog ontstaat.

    Bij rijden in of door oorlogsgebieden speelt ook de internationale geldigheid van de verzekering een rol. De groene kaart of het internationaal verzekeringsbewijs laat zien in welke landen de WA-dekking geldt. Sommige landen kunnen zijn uitgesloten of doorgestreept. Ook sancties, betalingsproblemen en het wegvallen van samenwerking tussen nationale bureaus kunnen de praktische schadeafwikkeling bemoeilijken. Wie met een Nederlands voertuig naar een conflictgebied rijdt, moet dus niet alleen naar de polis kijken, maar ook naar het reisadvies, de groene kaart, eventuele sanctieregels, concrete casco-uitsluitingen en de praktische mogelijkheid om schade te claimen of te verhalen.

    Kredietverzekering en oorlog

    Een kredietverzekering beschermt ondernemingen tegen het risico dat klanten hun facturen niet betalen. Dat is vooral belangrijk bij levering op rekening, exporttransacties en handelsrelaties met buitenlandse afnemers. Bij oorlog kan het betalingsrisico plots sterk toenemen. Een klant kan niet meer betalen door verwoeste bedrijfsactiviteiten, het sluiten van banken, financiële sancties, valutaproblemen, transportblokkades of diverse overheidsmaatregelen. Ook kan betaling juridisch verboden worden wanneer een partij op een sanctielijst staat.

    Kredietverzekeringen dekken commerciële risico’s, zoals faillissement of wanbetaling, maar oorlog en politieke risico’s worden niet altijd standaard gedekt. Voor export bestaan soms aanvullende dekkingen voor politieke risico’s, zoals transferbeperkingen, onteigening, oorlog, burgerlijke onrust of overheidsingrijpen. De precieze dekking hangt sterk af van de polis, het land, de debiteur, de kredietlimiet en de actuele risicobeoordeling van de verzekeraar. Bij oorlog kunnen kredietverzekeraars hun dekking aanpassen. Zij kunnen limieten verlagen, premies verhogen, aanvullende voorwaarden stellen of nieuwe leveringen niet langer verzekeren.

    Transportverzekering en oorlog

    Een transportverzekering dekt schade aan goederen tijdens het vervoer. Dat kan gaan om vervoer over land, zee, binnenwater, spoor of lucht. Normaal gesproken biedt een goederentransportverzekering dekking voor verlies of beschadiging door bijvoorbeeld diefstal, brand, ongeval, omslaan, zinken, laden en lossen of andere transportincidenten. Bij oorlog en conflictgebieden verandert het risicobeeld sterk. Transporten door of naar oorlogsgebied kunnen te maken krijgen met beschietingen, bombardementen, blokkades, mijnen, havensluitingen, luchtruimsluitingen, inbeslagname, vertraging, plundering of verlies van lading. Zulke schade is onder standaardvoorwaarden vaak uitgesloten, tenzij een specifieke oorlogsriscoclausule is overeengekomen. In de transportwereld bestaan wel aparte clausules voor oorlog, stakingen, oproer en vergelijkbare risico’s. De dekking kan dan beperkt zijn tot bepaalde routes, perioden, vervoersmodaliteiten of soorten schade. Sancties en exportrestricties kunnen evenwel maken dat een transport niet verzekerd of zelfs niet toegestaan is.

    Cyberverzekering en oorlog

    Een cyberverzekering dekt normaal gesproken schade door digitale incidenten. Denk aan ransomware, datalekken, bedrijfsonderbreking, herstelkosten, forensisch onderzoek, aansprakelijkheid tegenover derden en soms crisiscommunicatie. Cyberrisico’s worden ingewikkelder wanneer zij samenhangen met oorlog. Moderne conflicten worden niet alleen gevoerd met tanks, raketten en drones, maar ook met digitale aanvallen op banken, ziekenhuizen, energiebedrijven, telecomnetwerken, overheden en logistieke systemen.

    Veel cyberverzekeringen kennen uitsluitingen voor oorlog of handelingen van staten. De moeilijkheid is dat hierover bij cyberaanvallen vaak discussie bestaat. Veelal is het niet duidelijk of een cyberaanval al dan niet op overheidsbevel gebeurt. Is sprake van gewone cybercriminaliteit, sabotage, terrorisme, spionage, een door een staat gesteunde operatie of een echte oorlogshandeling? Dit levert gegarandeerd discussies op met de verzekeraar. Daarom zijn cyberpolissen de laatste jaren scherper geworden. Sommige voorwaarden maken onderscheid tussen cyberoorlog, state-backed cyber operations, systeemrisico’s en gewone cybercriminaliteit.

    Herstelbetalingen na afloop van een oorlog

    Na een oorlog rijst bijna altijd de vraag wie de schade moet dragen. Oorlog veroorzaakt niet alleen doden en gewonden, maar ook verwoeste woningen, verloren bedrijven, onteigening, vlucht, psychisch trauma, vermissing, seksueel geweld, vernielde infrastructuur en langdurige economische schade. In een gewone letselschadezaak wordt meestal gekeken naar één aansprakelijke partij en één benadeelde. Bij oorlog ligt dat anders. De schade is vaak massaal, grensoverschrijdend en politiek beladen.

    Herstelbetalingen kunnen dan een oplossing bieden. Dit zijn financiële of materiële maatregelen om schade door oorlog, bezetting of massaal geweld te herstellen. Zij kunnen vrijwillig worden betaald door een staat of ze worden geregeld via een internationaal fonds. Veelal maken ze deel uit van een vredesverdrag, soms worden ze ook eenzijdig opgelegd. Soms gaat het om directe betalingen aan individuele slachtoffers. Soms gaat het om herstel tussen staten, bijvoorbeeld voor infrastructuur, economie of staatsbezit. Ook teruggave van eigendom en kunst, het toekennen van pensioenrechten, excuses, het oprichten van herdenkingsfondsen en het ontwikkelen van collectieve projecten kunnen deel uitmaken van herstelmaatregelen.

    Belangrijk is dat herstelbetalingen zelden hetzelfde zijn als een volledige schadevergoeding. Slachtoffers krijgen vaak maar een deel van hun werkelijke schade vergoed. Regelingen worden politiek onderhandeld, categorieën slachtoffers kunnen buiten de boot vallen en betalingen kunnen jaren of zelfs decennia op zich laten wachten. Een herstelregeling zegt dus veel over de erkenning, maar het is geen garantie op volledige financiële genoegdoening.

    Herstelbetalingen na afloop van de Tweede Wereldoorlog

    Na de Tweede Wereldoorlog ontstond geen uniform systeem waarmee alle oorlogsslachtoffers volledig werden gecompenseerd. Er kwam een lappendeken van nationale regelingen, internationale afspraken, schadeprocedures, teruggaveregelingen en latere fondsen. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen materiële oorlogsschade, vervolgingsschade, roof van eigendom, dwangarbeid, lichamelijk en psychisch leed en schade van staten.

    In Nederland kwamen er na de oorlog regelingen voor materiële oorlogsschade. Burgers en bedrijven konden onder voorwaarden compensatie vragen voor schade aan tastbare goederen, zoals woningen, bedrijfspanden, huisraad, bedrijfsuitrusting, handelsvoorraden en vaartuigen. Inkomensschade, verlies van werk of financiële verliezen vielen niet altijd onder de regeling. De schade werd bovendien niet altijd tegen volledige vervangingswaarde vergoed. Het systeem was bedoeld om herstel en wederopbouw mogelijk te maken, maar gaf slachtoffers niet noodzakelijk hun volledige schade terug.

    Daarnaast ontwikkelde Duitsland verschillende regelingen in het kader van de Wiedergutmachung. Daarbij ging het onder meer om compensatie voor slachtoffers van nationaalsocialistische vervolging, verlies van eigendom, dwangarbeid en later ook specifieke fondsen. Een bekend voorbeeld is de Duitse stichting “Erinnerung, Verantwortung und Zukunft”, die vanaf 2000 betalingen mogelijk maakte aan voormalige dwangarbeiders en andere slachtoffers. Dat gebeurde pas na langdurige politieke en juridische druk, vooral omdat veel slachtoffers al op hoge leeftijd waren.

    Rijen witte kruishoutstenen op een begraafplaats, met een boeket oranje bloemen op de voorgrond, omgeven door groen gras en bomen.

    Herstelbetalingen na afloop van de Algerijnse Burgeroorlog

    De Algerijnse Burgeroorlog leidde niet tot een klassiek internationaal herstelbetalingsmechanisme tussen staten. Het conflict speelde zich vooral intern af – Algerije werd beschouwd als een formeel onderdeel van Frankrijk – en na afloop van het conflict koos men vooral voor een verzoeningspolitiek. De afwikkeling stond in het teken van pacificatie, amnestie en nationale stabiliteit, niet van een breed waarheids- en schadevergoedingsproces zoals bijvoorbeeld na sommige internationale conflicten.

    Wel kwam er het door Algerije voorgestelde Charter for Peace and National Reconciliation, in 2005 goedgekeurd en in 2006 uitgewerkt. Deze regeling was zeer omstreden. Zij voorzag in amnestie of strafvermindering voor bepaalde betrokkenen en in compensatie voor sommige families van slachtoffers, waaronder families van verdwenen personen. Voor veel nabestaanden bood dit enige financiële steun, maar geen volledige gerechtigheid. Mensenrechtenorganisaties bekritiseerden dat compensatie werd gekoppeld aan een verzoeningsmodel waarin strafrechtelijke verantwoording beperkt bleef. Families van verdwenen personen wilden vaak eerst weten wat er met hun naaste was gebeurd en wie verantwoordelijk was. Financiële compensatie kan dat gemis niet vervangen. In sommige gevallen werd bovendien verwacht dat families een overlijdensakte aanvaardden, terwijl zij juist bleven zoeken naar waarheid over de verdwijning.

    De Algerijnse vlag met verticale groene en witte banen, een rode halve maan en een rode ster in het midden.

    Herstelbetalingen na afloop van de Kosovaarse oorlog

    Ook na de Kosovaarse oorlog ontstond geen eenvoudig systeem dat alle slachtoffers volledig compenseerde. De afwikkeling verliep via verschillende sporen: nationale regelingen, erkenning van bepaalde categorieën slachtoffers, strafprocedures voor oorlogsmisdrijven en beperkte reparatiebevelen in individuele zaken. Daardoor konden slachtoffers afhankelijk worden van de vraag onder welke regeling zij vielen, wie de dader was, of er een strafzaak kwam en of een veroordeelde daadwerkelijk kon betalen. Voor civiele slachtoffers en nabestaanden was dit vaak problematisch. Sommige groepen kregen erkenning of een uitkering, terwijl andere slachtoffers tussen de mazen van het systeem vielen. Slachtoffers van seksueel geweld, verdwenen personen, nabestaanden van burgerdoden en slachtoffers van misdrijven door verschillende partijen konden in de praktijk met verschillende drempels te maken krijgen. Een juridisch systeem dat één type slachtoffer erkent, sluit soms onbedoeld andere groepen uit.

    De Kosovo Specialist Chambers in Den Haag kunnen in individuele strafzaken reparatiebevelen opleggen. Dat betekent dat een veroordeelde kan worden verplicht om slachtoffers individueel of collectief te compenseren. Dat is belangrijk, omdat het slachtoffer binnen de strafzaak erkenning kan krijgen. Tegelijk is het praktisch beperkt. Een reparatiebevel tegen een veroordeelde is alleen nuttig als er vermogen is om te betalen of als er een fonds of nationale regeling bestaat die betaling kan ondersteunen.

    De vlag van Kosovo, met een gouden kaart en zes witte sterren, tegen een getextureerde blauwe achtergrond.

    Herstelbetalingen en de oorlog in Oekraïne

    Voor de oorlog in Oekraïne bestaat nog geen definitieve naoorlogse herstelregeling. De oorlog is nog aan de gang en de omvang van de schade blijft toenemen. Toch zijn er al mechanismen opgezet om schade vast te leggen en latere vergoeding mogelijk te maken. Het belangrijkste instrument is het Register of Damage for Ukraine, opgericht door de Raad van Europa. Dit register verzamelt claims en bewijs over schade, verlies en letsel die verband houden met de Russische agressie tegen Oekraïne. Het gaat niet alleen om particuliere schade, zoals schade aan woningen, overlijden van familieleden, ernstige verwondingen, vermissing of gedwongen verplaatsing. Ook bedrijven, rechtspersonen, lokale overheden en de Oekraïense staat kunnen in bepaalde categorieën schade laten registreren, bijvoorbeeld voor vernietigde infrastructuur, verloren activa of economische schade. Het register legt claims en bewijs vast, maar beslist niet definitief over alle schadevergoedingen en keert zelf geen geld uit. Daarom wordt gewerkt aan een bredere internationale compensatiestructuur. Verder blijft de grootste vraag voorlopig onbeantwoord: waar komt het geld vandaan? In de politieke en juridische discussies wordt gesproken over het aanwenden van bevroren Russische tegoeden. In de praktijk zal dit alles wellicht deel uitmaken van vredesonderhandelingen en dus een politiek akkoord vereisten.

    Lees ook: Wie is aansprakelijk als een ruimteobject op een huis valt?

    Close-up van een militair uniform met embleempatches van de Oekraïense vlag en de drietand op een achtergrond van camouflagestof.

    Veelgestelde vragen over letsel en aansprakelijkheid bij oorlog

    Over oorlog, aansprakelijkheid en letselschade bestaan veel misverstanden. Dat komt omdat oorlog tegelijk militair, politiek, strafrechtelijk, internationaalrechtelijk en verzekeringsrechtelijk wordt beoordeeld. Een slachtoffer wil vooral weten wie verantwoordelijk is, of schade verzekerd is en of er ooit herstelbetalingen kunnen volgen. Hieronder beantwoorden we de belangrijkste vragen over aansprakelijkheid en oorlog.

    Is oorlog overmacht?

    Oorlog kan in contracten, inclusief verzekeringscontracten, overmacht opleveren als een partij door de oorlog haar verplichtingen niet meer kan nakomen. Denk aan gesloten grenzen, sancties, vernietigde infrastructuur of een onmogelijk geworden levering. Dat betekent niet dat niemand strafrechtelijk verantwoordelijk kan zijn voor oorlogsmisdrijven, onrechtmatige aanvallen of andere schendingen van het internationaal recht.

    Wie mag de oorlog verklaren?

    In het moderne internationaal recht is de hoofdregel niet dat staten oorlog mogen verklaren, maar juist dat zij geen geweld tegen andere staten mogen gebruiken. Uitzonderingen bestaan bij zelfverdediging na een gewapende aanval of wanneer de VN-Veiligheidsraad militair optreden toestaat. Voor Nederland geldt aanvullend dat het Koninkrijk niet in oorlog wordt verklaard zonder voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal. Die toestemming is niet vereist wanneer overleg door een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is.

    Wanneer is er sprake van een oorlogsmisdaad?

    In Nederland is oorlogsmisdrijf de juridisch juiste term. Daarvan is sprake bij een ernstige schending van het internationaal humanitair recht die verband houdt met een gewapend conflict. Voorbeelden zijn opzettelijke aanvallen op burgers, marteling, gijzeling, plundering, verkrachting, executies zonder eerlijk proces of aanvallen op beschermde medische voorzieningen.

    Is oorlogsschade verzekerd?

    Oorlogsschade is meestal niet verzekerd. Veel polissen bevatten een uitsluiting voor molest, waaronder gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, oproer of muiterij kunnen vallen. Toch zijn uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld bij bijzondere reis-, transport-, zee- of luchtvaartverzekeringen of bij speciale molestdekkingen.

    Welke schadevergoeding betaalde Duitsland na de Eerste Wereldoorlog?

    Na de Eerste Wereldoorlog kreeg Duitsland op grond van de regeling na Versailles een zware herstelbetalingsverplichting opgelegd. In 1921 werd het bedrag vastgesteld op 132 miljard goudmark. Dat betekende niet dat dit bedrag eenvoudig en volledig werd betaald: de betalingsregeling werd herhaaldelijk aangepast, heronderhandeld en uitgesteld. De herstelbetalingen speelden een grote rol in de economische en politieke spanningen van het interbellum.

    Wat is een herstelbetaling?

    Een herstelbetaling is een vergoeding of andere vorm van herstel na oorlog, bezetting of massaal geweld. Het kan diverse vormen aannemen. Herstelbetalingen worden vaak geregeld via verdragen en politieke akkoorden. Slachtoffers krijgen daarbij lang niet altijd hun volledige werkelijke schade vergoed.

    Hoe ontstaat oorlog?

    Oorlog ontstaat zelden door één oorzaak. Meestal gaat het om een combinatie van machtspolitiek, territoriale claims, veiligheidsdilemma’s, ideologie, grondstoffen, nationalisme, staatsfalen, bondgenootschappen en nieuwe stappen op de escalatieladder.

    Wie heeft oorlog bedacht?

    Oorlog is geen uitvinding van één persoon. Het is een historisch gegroeid instituut van georganiseerd geweld tussen politieke gemeenschappen, staten, rijken of gewapende groepen. Door de geschiedenis heen is oorlog gebruikt om macht, grondgebied, veiligheid, rijkdom of ideologische doelen na te streven. Het moderne internationale recht probeert oorlog te verbieden, te beperken en te regelen.

    Wat doet oorlog met kinderen?

    Kinderen zijn bijzonder kwetsbaar in oorlogssituaties. Zij kunnen lichamelijk gewond raken, familie verliezen, trauma ontwikkelen, onderwijs missen, moeten vluchten of slachtoffer worden van rekrutering, uitbuiting, mensenhandel of seksueel geweld. Ook kinderen die niet direct gewond raken, kunnen daarvan jarenlang gevolgen ondervinden.